De materiële cultuur van de nacht. Huishoudelijke verlichting in de achttiende eeuw

Op 19 augustus 1780 bezocht de Leidse notaris Jan van den Broeck samen met twee getuigen het huis van de metselaar Hermanus van Duuren die enkele maanden voordien was gestorven.1 Omdat Hermanus een minderjarig kind had achtergelaten, was de notaris belast met het opmaken van een boedelinventaris, een opsomming van alle roerende goederen die in het sterfhuis werden aangetroffen. Op die manier kon de verdeling van de inboedel over de erfgenamen in goede banen worden geleid. Aangekomen in de keuken, troffen de notaris en zijn twee getuigen een ‘rooster’, ‘haartschut’, ‘tang’, ‘ketting’ en ander haardgerief aan. De keukenhaard had duidelijk een grote aantrekkingskracht op het dagelijkse leven van dit huishouden in het achttiende-eeuwse Leiden. Het vele tafelgerei, het koffie- en theeservies, de bedstede, de lessenaar en de tafel en stoelen suggereren dat hier niet enkel werd gekookt en geleefd, maar dat er ook ruimte genoeg was voor vrijetijdsbesteding. Men kon zich rond de haard verzamelen om gezellig te eten, te drinken, te lezen of te slapen. De haard gaf warmte en licht en voorzag huiselijke inwoners dus in de kans om zich na het donker te vermaken. Het gezin van Hermanus van Duuren vertrouwde daarbij niet alleen op het licht van de haard. De blikken lamp, de twee koperen kandelaars en de blikken blaker zorgden voor extra licht in de keuken. Met de snuiter die in de tinnenkast was opgeborgen, kon de kaarsenpit af en toe ‘gesnuit’ worden zodat ze minder zou walmen. Verder verstrooide een spiegeltje het licht in de kamer. In het achterhuis stonden nog enkele houten – en dus goedkopere – varianten van de kandelaar en blaker die gemakkelijker doorheen het huis konden rondgedragen worden al naargelang waar licht nodig was.

Download pdf