De impact van corona op FV Oostende

In deze reeks geeft Histories een stem aan de erfgoedvrijwilligers in het veld. Niet alleen willen we graag weten hoe zij de coronaperiode ervaren, maar we hopen hiermee ook collega-erfgoedwerkers een hart onder de riem te steken.

Bernard Legrand, gepensioneerd logopedist en leraar/onderdirecteur in het Dovenonderwijs, is sinds een vijftal jaar voorzitter en directeur van Familiekunde Vlaanderen Regio Oostende. In dit interview getuigt hij over de gevolgen van corona voor het documentatiecentrum, en legt hij uit hoe ze (nog meer) overgeschakeld zijn naar een digitale werking.

Dag Bernard, stel je je even voor aan onze lezers?

Ik ben voorzitter van Familiekunde Vlaanderen Regio Oostende, sedert een vijftal jaar. Ik volgde Eddie Van Haverbeke op als voorzitter, die het 50 jaar is geweest. Daaraan kan je ook zien hoe lang Familiekunde Vlaanderen Regio Oostende bestaat: al vanaf het begin van Familiekunde Vlaanderen, toen nog Vlaamse Vereniging voor Familiekunde of VVF. Ik ben al een aantal jaren met pensioen en werk nu bijna fulltime voor FV Regio Oostende als vrijwilliger. Maar ik ben al heel lang bezig met mijn familiegeschiedenis, ik denk wel al meer dan 40 jaar. Ik heb mijn eigen familie opgezocht, maar ik heb ook al veel opgezocht voor andere mensen.

 

Hoe is die passie voor familiegeschiedenis ontstaan?

Goh, eigenlijk was dat een beetje van thuis uit, en van jongs af. Ik ben daar altijd nieuwsgierig naar geweest. Ik ben geboren in Brielen, een klein dorpje bij Ieper. De parochieregisters gaan er terug tot 1580. Ik had die al een keer gezien bij de pastoor, en als leerling in het middelbaar heb ik er zelfs een keer een paar mogen meenemen naar huis om in te snuisteren.

Die nieuwsgierigheid werd opnieuw geprikkeld in de jaren 1970, toen mijn moeder ziek was en ik meermaals per week op bezoek ging bij mijn ouders. Ik wilde al altijd meer weten over de geschiedenis van mijn familie. Legrand klinkt Frans, en mijn vader is pas in Brielen gaan wonen na WOI, nadat hij is moeten vluchten uit Zandvoorde, dicht bij de Franse grens. Toen ik een van die keren langskwam, was mijn vader terug van een begrafenis, van de zoon van een kozijn (neef) van mijn grootvader. ‘Wie was dat dan’, vroeg ik. Daarop vertelde hij het verhaal van de hele familie, alle kozijns en de kinderen ervan. Hij kon iedereen opnoemen. Een latere keer, nadat mijn moeder was overleden, nam ik papier mee om het op te schrijven, moest er met hem iets gebeuren. Hij was fier gelijk kweetniwatte om de bijna ganse stamboom te kunnen vertellen. En ik maar noteren. Ik heb het papier zelfs nog altijd liggen.

Eigenlijk al van in die tijd, of van kort erna, nadat mijn vader overleed eind jaren ’70, bezocht ik in Oostende al de VVF. Zo ben ik daar geleidelijk aan in gerold.

Kan je ons iets meer vertellen over dat documentatiecentrum?

Het documentatiecentrum is stilletjes aan gegroeid vanaf 1965. We zijn er heel trots op. Het is het tweede grootste van Vlaanderen, na Merksem, maar misschien wel het meest bezochte. We zijn open vijf dagen op zeven, en elke dag ontvangen we gemiddeld een zestal bezoekers, los van de vrijwilligers. Ik zeg altijd al lachend, maar ik meen dat eigenlijk ook: al wie aan familiekunde doet, moet minstens één keer in Oostende geweest zijn, of anders heeft die dat niet goed gedaan. Want wij hebben een schat aan gegevens, aan bronnen. We hebben zeker een miljoen bidprentjes, van alle streken waar ze bestaan, en zeker een half miljoen rouwbrieven. De bibliotheek is 15.000 boeken rijk, over van alles en nog wat dat raakpunten heeft met familiekunde.

We zetten volop in op ons documentatiecentrum en onze dienstverlening, voor iedereen die opzoekingen wilt komen doen, met behulp van de vrijwilligers die al dat bronnenmateriaal helpen ontsluiten. We staan altijd klaar om raad te geven en wegwijs te maken.

Hoe pakken jullie het ontsluiten van bronnenmateriaal aan?

Als documentatiecentrum willen we helemaal gaan voor ontsluiting, en daarbij trachten we zoveel mogelijk te digitaliseren: om gegevens digitaal ter beschikking te stellen van onze bezoekers. De afgelopen jaren al zijn we die richting aan het uitgaan, en nu in coronatijden heeft dat zijn nut bewezen. Op lange termijn geloof ik dat daar de toekomst ligt. De mensen vragen er ook om: ze willen gemakkelijker en sneller opzoekingen kunnen doen. We konden niet anders dan die digitale mogelijkheden zelf te verkennen.

Enerzijds digitaliseren we nu alle bidprentjes. We hebben er al een 800.000 die gescand en benoemd zijn. Dus het einde komt stilaan in zicht. Maar ondertussen komen er natuurlijk altijd maar bij hé. Het is een droom om ook te kunnen beginnen met de digitalisatie van de rouwbrieven, want daar staat nog meer informatie in.

Aan de andere kant proberen we ook zoveel mogelijk persoonsnamen te indexeren uit de boeken en de andere documentatie in onze bibliotheek. Vaak staan er namen die jou aanbelangen in boeken waarin je nooit zelf zou zoeken. Of je moet elk boek één voor één doorgaan; in sommige staan er indexen, maar in andere helemaal niet. Ik heb dat nog gedaan indertijd. Dat is beulenwerk.

Om al die gegevens te bundelen, hebben we zelf een databank ontwikkeld met zoekrobot: de Karakol. Die is genoemd naar die typische zeeslakjes met schelpjes: tussen alle spreekwoordelijke karakolletjes vind je misschien het karakolletje dat jij mist, die ene naam waarvan je niet wist waar jij die moest zoeken. Dat is een project dat we begin dit jaar gestart zijn, met een projectsubsidie van Kusterfgoed. In juni-juli konden we ze lanceren. We staan er nu tamelijk ver mee: ze is nog niet eens volledig, maar bevat al 2.800.000 namen. Als je een familienaam intikt, kan je meteen zien waar die allemaal voorkomt, in welke boeken en zelfs op welke bladzijde! Dat is eigenlijk gesneden brood. Als je je thuis wat voorbereidt, dan kan je bij ons op één namiddag gemakkelijk 20 boeken doornemen waarin je zeker bent je naam terug te vinden.

De sluiting van het documentatiecentrum door corona kwam allicht hard aan dan. Hoe heb jullie dat ervaren? Hebben jullie oplossingen gevonden om toch aan het werk te blijven?

In normale omstandigheden, vóór corona, werkten weinig vrijwilligers van thuis uit. Normaalgezien kwamen zij bij ons in het centrum werken op de momenten dat het niet open is voor bezoekers. We zaten daar soms met 8-9 man samen. Dat sociale aspect is voor ons heel belangrijk. Vele vrijwilligers zijn alleenstaand en gepensioneerd. Zij kwamen graag werken omdat ze dan ook bij anderen zijn.

Met de eerste lockdown werd dat onmogelijk, en dat was erg spijtig. Aan het gebrek aan sociaal contact was weinig te doen, maar op den duur zou men ook niet meer weten wat te doen, met niets om handen. Daarom werd er nagedacht over een oplossing. Een van onze leden is nogal een specialist op technologisch gebied en die stelde voor om een virtuele server te voorzien. Zo gezegd, zo gedaan. We stelden telkens virtueel een map met bidprentjes ter beschikking, die de vrijwilligers thuis verwerkten. En als ze klaar waren met die map, stuurden ze een mailtje en zetten we er een nieuwe map op. De mensen waren er heel content mee. Zo hadden ze meteen ook een reden om iemand op te bellen, hoorden ze nog een keer iemand. Tussen haakjes: er werd zelfs meer gewerkt dan voorheen!

We hebben dat dus in de eerste coronagolf gedaan, en dat werkte zo goed dat we die server definitief hebben aangekocht. Gelukkig maar, nu we in de tweede golf zitten, want ook nu werkt dat fantastisch goed! Voor het sociale contact in het documentatiecentrum is dat natuurlijk wel geen alternatief. Tussen de golven in waren de vrijwilligers dan ook heel blij dat ze konden terugkomen, zelfs al bleven ze thuis ook wat werken.

Jullie zijn duidelijk niet bij de pakken blijven zitten.

Dat is te danken aan onze bestuursleden. We kunnen eveneens op mensen rekenen die bedreven zijn in technologie en informatica. Zij maken dat we het blijven positief zien en dat we blijven werken aan die digitalisering. Je hebt zo’n mensen nodig, die er achter zitten. Zij rekenen er dan weer op dat ik dat zoveel mogelijk tracht te sturen. Dat zie ik als mijn grote taak: het coördineren.

Wat is de impact van corona op jullie dienstverlening? Hoe zie jij jouw rol daarin als voorzitter en directeur?

Ik probeer vragen per mail zo goed mogelijk bij te houden en te beantwoorden. Al vóór corona kregen we natuurlijk vragen binnen via mail, zeker van mensen van buiten Oostende. Men vraagt bepaalde opzoekingen, waarvoor we dan een kleine vergoeding of vrije bijdrage vragen in ruil. Het is wat afwachten terwijl men ook meer en meer de weg vindt naar de Karakol. Wij durven soms ongeduldig te zijn en willen een week later dat al iedereen daarvan gebruik maakt. Maar ik zeg: het moet een beetje groeien.

Soms krijgen we ook bijzondere vragen binnen. Een ver familielid van de Oostendse kunstenaar Léon Spilliaert bijvoorbeeld contacteerde ons naar aanleiding van een film die ze zullen maken. Ook voor de stad Oostende doen wij opzoekingen. Het is dan ook belangrijk voor ons om met hen een goede band te onderhouden. Zo werden we gevraagd om te helpen in het kader van ‘meer vrouw op straat’. [Red. dit is de naam van een oproep gelanceerd door Sofie Lemaire om meer straten, pleinen en gedenkplekken te noemen naar vrouwen.] We deden opzoekingen naar vrouwen zoals Cécile Heems, de eerste die een Belgisch pilotenbrevet behaalde. Naar haar is nu een parkje genoemd. Er was niemand die wist of zij nog familie had. Zij is maar op heel late leeftijd getrouwd en had geen kinderen, maar ze had wel zussen. Ik kon de nazaten terugvinden. Ik doe dat eigenlijk heel graag, zo’n werk.

We staan altijd ten dienste van de mensen. Ik denk dat dat een beetje de sterkte is van ons documentatiecentrum: dat wij heel communicatief zijn tegenover de bezoekers. De beste manier om te helpen, is toch om hen ter plaatse wegwijs te maken: te zeggen, ‘je moet daar eens kijken,’ en het hen te tonen ook. Men zegt soms tegen mij: ‘jij weet veel van genealogie, je bent ne slimmen’. Maar da’s niet waar. Bij wijze van spreken heb ik alles geleerd aan de bar; ik heb nooit een cursus gevolgd of eender wat. Wij hebben bij het documentatiecentrum ook een estaminetje hé. Ik wil daarmee zeggen: je moet veel praten, en veel uitwisselen met elkaar. Ik krijg nog dikwijls te horen: ‘Zeg, jij hebt mij vroeger goed geholpen’. Soms herinner ik mij dat langs geen kanten. Maar dat blijft de mensen blijkbaar bij. We hebben ons dan ook goed voorbereid op de heropening van het documentatiecentrum, tussen de coronagolven in, om alles coronaproof te maken.

We staan altijd ten dienste van de mensen. Ik denk dat dat een beetje de sterkte is van ons documentatiecentrum: dat wij heel communicatief zijn tegenover de bezoekers.

Heeft corona ook iets positief teweeggebracht? Iets dat je zal meenemen naar de toekomst?

Ja, dat digitaliseringsproces is daardoor toch versneld, al waren we er eigenlijk voordien al serieus mee bezig. Ik geef nog een voorbeeld van de waarde van die digitale ontsluiting. Nu moet je weten dat Oostende voor een deel arm is aan archief doordat het stadsarchief vernield werd in WOII. Maar het notariaat bestaat wel nog. Jan Coopman zaliger, een van onze toegewijde vrijwilligers, ging in het verleden al de notariële documenten ontleden en samenvatten die bewaard worden in het Rijksarchief te Brugge. De namenindex die toen is opgemaakt, is nu in de Karakol ingevoerd. Deze week nog kwam ik een naam tegen: ene Hugall. Ik ging even in de databank opzoeken en zie, die wordt in het notariaat vermeld! Zo gemakkelijk is het om van thuis uit online op zoek te gaan.

Zijn er financiële gevolgen? Houden jullie het hoofd boven water?

Wij hebben een coronadossier mogen indienen bij de stad Oostende, maar dat is afwachten. Financieel moeten we sowieso voorzichtig zijn; voorzichtiger nog dan andere jaren. Die server bijvoorbeeld, dat is duur. Sommige inkomsten vallen ook weg: van ons estaminetje bijvoorbeeld, of van onze conferentiezaal, waarvan onder andere Kusterfgoed gebruik maakte. Anderzijds zijn sommige uitgaven niet meer vereist, zoals de koffie en het koekske dat we onze vrijwilligers aanboden. Voorlopig houden we in elk geval stand, en houden we de moed erin.

Dat optimisme siert je! Heb je nog een gouden tip die je wilt meegeven aan andere erfgoedvrijwilligers?

Ik zou nog eens willen benadrukken hoe belangrijk het is om contact te houden met mensen. Ik heb het vaak zo druk dat mijn aandacht naar andere zaken dreigt uit te gaan, maar ik hoor dat een van onze bestuursleden regelmatig naar de vrijwilligers belt die thuis aan het werk zijn. Dat mogen we toch niet vergeten hé. Jammer dat we de vrijwilligers niet méér kunnen soigneren. We moeten contact blijven houden met elkaar: tegenwoordig kan dat ook via mail of op andere manieren. Ik hou me er zelf bijvoorbeeld aan om altijd op alle mailtjes te antwoorden, hoe vol mijn inbox ook steekt.

Bedankt, Bernard, voor het fijne gesprek. In afwachting van de heropening van het documentatiecentrum gaan we alvast snuisteren in de Karakol!

Meer info over Familiekunde Vlaanderen Regio Oostende vind je op hun website.